The second day of this month, Microsoft announced two new libraries to interact with the Azure Event Hub. I was afraid we had a lot of rework coming our way, however this upgrade was one of the easiest I’ve ever done!

Removed the old NuGET packages, added the new packages. Replaced SendBatchAsync() with SendAsync() and a small change in connectionstring and I was good.

As you can see I’ve introduced a small quirk at line 45 to make this new code work with old connectionstrings that smells a bit However, it works like a charm and can easily be removed later on.

Small quirks like these allow me to ship this code to systems that are still configured with a connectionstring that contains the TransportType property. This way I do not have to time the code and configuration upgrade of systems. I can just ship the code, ship the configuration change later and finally clean up the quirk.

One of the better upgrade experiences. Thanx!

I just read that there is a new T-SQL operator in town: STRING_AGG. Finally! Having worked with MySQL prior to moving (primarily) to Azure SQL DB, I have always missed a T-SQL equivalent to GROUP_CONCAT.

I’m happy to see that STRING_AGG has the same workings as GROUP_CONCAT. Both do not only concatenate string values, but also allow for injecting a ‘glue’ in between. Use is just as expected, a query such as

<pre>

SELECT STRING_AGG(DisplayName, ‘, ’) FROM Users WHERE AccountId = 45

</pre>

Will produce a single row result of

<pre>

Henry Been, John Doe

</pre>

Simply Awesome!

Dinsdag en woensdag vier en vijf oktober, heb ik samen met een aantal collega’s weer de Microsoft TechDays bezocht. Op de TechDays zorgen tal van sprekers ervoor dat je in twee dagen weer helemaal op de hoogte raakt van de nieuwste ontwikkelingen van Microsoft. Mijn eigen aandacht ging dit jaar niet alleen uit naar de sessies die gegeven werden, ik heb er dit jaar zelf ook twee mogen geven.

Op de SnelStart blog vertel ik over mijn ervaringen en zijn de sheets te downloaden. Opnames van de sessies staan op Channel9.

Terwijl ik dit schrijf, is Microsoft hard aan het werk om de transitie van de Azure Service Management (ASM) API’s naar de Azure Resource Management (ARM) API’s af te ronden. Beide API’s bieden de mogelijkheid om je Azure resources te beheren en zijn de REST API’s achter Azure Powershell en de Azure portal.

De oudere, ASM API wordt niet voor niks vervangen. Het grote nadeel van deze API is, dat hij niet de mogelijkheid biedt tot fine-grained autorisaties. De enige manier om toegang tot resources te beheren is op het niveau van de subscription. Je kunt niet per resource bepalen wie waar bij mag. In elke organisatie met meer dan een paar resources is dit volledig onacceptabel.

De ARM API is op dit punt een grote stap vooruit. Met ARM kun je Azure Service Management (ASM) APIs to the per resource bepalen wie er bij kan en zelfs regelen wat men precies mag.

Maar dat is niet alles. Naast personen zijn er soms ook applicaties of systemen die toegang nodig hebben tot een of meer Azure resources. Via ASM kon dit door het gebruik van zogenaamde management certificates. De houder van zo’n certificaat had dan volledige controle over een subscription. Met ARM is het mogelijk om ook applicaties gericht toegang te geven tot een subset van je resources. Het is echter niet erg duidelijk hoe dit werkt. In dit blog zal ik dan ook laten zien hoe je een applicatie toegang kan geven tot Azure resources volgnes het principle of least privilege. Voor autorisatie zal ik daarvoor gebruik maken van certificaten, een veiligere methodiek dan wachtwoorden.

Iedereen die, via ARM, toegang tot een subscription heeft moet bekend zijn in de Azure Active Directory (AAD) die bij die subscription hoort. Dit geld niet alleen voor personen, maar ook voor applicaties. Het registreren van een applicatie in de AAD kan helaas nog niet in de nieuwe portal. We moeten dus terug naar de oude portal of gebruik maken van Powershell. Nadat de applicatie geregistreerd is in de AAD, moet deze ook nog geautoriseerd worden op een resourcegroup. Dit kan echter weer alleen in de nieuwe portal of via Powershell. Om die reden kies ik voor Powershell zodat ik niet heen en weer hoef tussen portals.

Om verbinding te maken met de AAD vanuit Powershell is er een specifieke Powershell module (MSOL) nodig, die je hier vindt.

Allereerst registreren we de applicatie:

Nu voegen we authenticatie op basis van een certificaat toe:

Tenslotte moeten we de applicatie rechten geven op een resource. Voor dit doel heb ik een resourcegroup ‘poc’ aangemaakt:

De applicatie schrijven

Nu dat we een applicatie in de AAD geregistreerd hebben, kunnen we de applicatie zelf schrijven. Hieronder vind je een minimaal voorbeeld voor authenticatie en het opvragen van een lijst van alle storage accounts in een rsource group:

Er zijn twee NuGET packages die je moet installeren om deze code te draaien: Microsoft.IdentityModel.Clients.ActiveDirectory and Microsoft.Azure.Management.Storage

En hier het eindresultaat: Een overzicht van alle storage accounts in de resource group. Andere acties, zoals het toevoegen of verwijderen van storage accounts zijn natuurlijk ook mogelijk..

ARMCertificateAuth

Gisteravond heb ik bij SnelStart een korte presentatie gegeven over het State Pattern. Wat is het, waar gebruiken we het voor en waarom?

Als we naar een pattern kijken als een ‘type oplossing, voor een type probleem’ dan is het niet alleen belangrijk om het probleem dat een pattern oplost te kennen, maar ook te kunnen herkennen. Kennen: Het state pattern is de oplossing voor het type probleem waarbij we een class hebben die, afhankelijk van de state waarin hij verkeerd, ander gedrag moet vertonen bij het aanroepen van zijn methoden. Herkennen: De naïeve oplossing voor dit type probleem is het introduceren van een enumeratie en in elke methode een switch/case statement om de juiste code uit te voeren. Aan deze combinatie kun je een goede kandidaat voor gebruik van het state pattern gelijk herkennen.

Natuurlijk blijft dan nog de vraag over waarom het gebruik van het state pattern beter is dan die naïeve implementatie. Er zijn tal van argumenten te noemen, maar de belangrijkste voor mij zijn testbaarheid en onderhoudbaarheid. Een implementatie op basis van polymorfisme in plaats van een aantal conditionele switches, verminderd bijna altijd het aantal testgevallen dat je moet vangen in je unit tests. Daarnaast, onderhoudbaarheid: Bedenk wat er gebeurd wanneer iemand een state-enumeratie uitbreidt met een nieuwe waarde en een switch/case statement vergeet aan te passen. Je programma compileert, je testen draaien nog en toch zit er waarschijnlijk een grote bug in je programma. Met een state pattern heb je dit niet omdat je compiler je dwingt om de nieuwe state volledig te implementeren.

Maar wat is het state pattern dan precies? Een state pattern kenmerkt zich door een outer class die zelf geen gedrag implementeert, maar alle aanroepen delegeert naar een inner class die de huidige staat van de outer class omschrijft. Een voorbeeld in UML zie je hieronder.

StatePattern

State pattern in UML. We zien hier een Order class die een aantal methoden adverteert. Elke aanroep is echter een delegatie naar de abstracte OrderState class. De overervingen van deze class zorgen voor het juiste gedrag in elke staat waarin de order zich kan bevinden.

Nu zegt een plaatje meer dan duizend woroden, maar is code nog veel mooier. Hier kun je een visual studio C# solution met vier projecten downloaden met een gedetaileerde implementatie van het state pattern en een stap-voor-stap refactoring hier naar toe vanaf een naïeve implementatie.